Op de 138e bladzijde van Houthakken. Een afrekening gebeurt iets wonderlijks: de verteller gaat aan tafel zitten. Het is kwart voor één ’s nachts en al die tijd heeft deze naamloze zonderling – een schrijver die erg op Thomas Bernhard lijkt – onafgebroken in een oorfauteuil zitten foeteren. Stilletjes, in zichzelf, want hij is, tot zijn spijt en afgrijzen, niet alleen. Sterker: hij is een van de gasten op een ‘kunstzinnig avondmaal’ van een echtpaar met wie hij in geen twintig jaar contact heeft gehad. In zijn eigen woorden: ‘Twintig jaar had ik de Auersbergers niet meer gezien en uitgerekend op de sterfdag van onze gemeenschappelijke vriendin Joana ben ik ze op de Graben tegengekomen en zonder aarzelen heb ik hun uitnodiging voor een kunstzinnig avondmaal, aldus de echtelieden Auersberger over hun nachtmaal, aangenomen.’ Het accepteren van die uitnodiging is een misstap geweest, een afschuwelijke vergissing. Hoewel de Auersbergers in het verleden belangrijk zijn geweest voor de sociale en artistieke ontwikkeling van de schrijver, voelt hij inmiddels alleen maar walging voor hen. En daarmee voor zichzelf: ‘Een sterk iemand met een sterk karakter, dacht ik, zou hun uitnodiging hebben afgeslagen, maar (…) ik ben de zwakste van iedereen met het zwakste karakter en min of meer aan alle mensen overgeleverd.’ Die middag heeft hij samen met de andere gasten de mislukte choreografe Joana begraven, thans zit hij weer in de oorfauteuil waarin hij twintig jaar geleden bijna dagelijks zat. Zonder de bravoure van de jeugd of de berusting die soms aan ouderen wordt toegeschreven; overgeleverd aan het vruchteloze denken dat niet tot inzicht leidt maar uitsluitend het eigen denken voedt. In een eindeloze maalstroom die het hele boek beslaat denk hij terug aan het verleden zonder één moment los te komen van het gehate heden, zijn plek in de oorfauteuil.

W.G. Sebald heeft over Robert Walser gezegd dat ‘zijn proza de eigenaardigheid heeft dat het bij het lezen oplost.’ Over het werk van Thomas Bernhard, een groot bewonderaar van Walser, zou je iets soortgelijks kunnen zeggen. Probeer een roman als Houthakken maar eens samen te vatten – op een paar basale gegevens na blijft er niets van over. Nu doet een samenvatting natuurlijk nooit recht aan de specifieke taal van een roman, maar Bernhard maakt het wel erg bont. Geen plot, geen intrige, nauwelijks ontwikkeling. Geen wonder als je weet dat Bernhard een verzengende afkeer van verhalen had; verhalen, vond hij, lenen zich uitsluitend voor feesten en partijen; verjaardagen, etentjes, onderonsjes. Gezelschap dus, gezelligheid. En daar moest Bernhard, die zichzelf als verhalenvernietiger en overdrijvingskunstenaar beschouwde, niets van hebben. ‘Met de kou neemt de helderheid toe’, zei hij tijdens een dankrede en die helderheid, zo leert Houthakken, is belangrijker en bestendiger dan de vermeende warmte van een gezelschap.

Denk nu niet dat Houthakken een koude of afstandelijke roman is, in tegendeel. Bernhard, die net als zijn verteller musicologie studeerde, heeft er herhaaldelijk op gewezen dat de belangrijkste kwaliteit van zijn werk de muzikaliteit is. De taal is onbetrouwbaar, het is godsonmogelijk om iets waarachtigs te zeggen, maar de muzikaliteit van diezelfde taal staat buiten kijf. Waarvan akte, 255 onovertroffen pagina’s lang. Over de uitverkoop van een geliefd natuurgebied:
‘Waar een bosje was, waar een tuin in het voorjaar opbloeide en in de herfst met de prachtigste kleuren in verwelking raakte, daar woekeren nu de betonzweren van onze tijd, die met landschap, met natuur überhaupt geen enkele rekening meer houdt, en die uitsluitend door politiek gemotiveerde geldzucht wordt beheerst, door een ordinaire proletarische betonhysterie, dacht ik in de oorfauteuil.’
En over Wenen:
‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine, dacht ik in de oorfauteuil, en een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling. Al die vernietigde en gedode genieën en talenten, die ik door hun eigen, weerzinwekkende sigarettenrook observeerde, zijn dertig of vijfendertig jaar geleden naar Wenen gekomen in de hoop het tot iets te brengen, maar zijn in werkelijkheid vernietigd en gedood, al die genieën en talenten die elk jaar op het Oostenrijkse platteland bij honderden, zo niet bij duizenden, geboren worden.’
(Waarschuwing: je blijft uit dit boek citeren en drijft je huisgenoten derhalve tot wanhoop).

Thomas Bernhard wantrouwde de taal én de mensheid met een hartstocht die zijn werk onontkoombaar maakt. Werd er maar vaker op dit niveau afgerekend.

Levi Olthof

Thomas Bernhard, Houthakken. Een afrekening
Vertaling: Chris bakker en Pauline de Bok
Uitgeverij IJzer

Bestel nu!

Comments are closed.