Het zou het begin van een mop kunnen zijn. Twee broers – de een schrijver, de ander filosoof – zitten samen in een auto. Zegt de schrijvende broer: ‘Ik geloof niet in God maar ik mis Hem’. Een korte stilte, even is alleen het ronken van de motor te horen. ‘En,’ vervolgt de schrijvende broer, ‘wat vind je van zo’n uitspraak?’ Korte stilte. ‘Klef’, zegt de filosoferende broer dan, ‘soppy’.
Het is natuurlijk geen mop en de broers zijn geen archetypes. De filosoof is de Britse wijsgeer Jonathan Barnes, de schrijver is zijn veelbekroonde broertje Julian. De anekdote komt uit de eerste alinea van Niets te vrezen, Barnes memoire over kunst, geloof, familiebanden en de dood.

Om nu te stellen dat deze opening exemplarisch is voor het oeuvre van Barnes zou te ver gaan, daarvoor is Barnes oeuvre simpelweg te breed. Toch valt er met een beetje goede wil wel iets voor te zeggen. Als God alleen een gevoel van gemis in de hand werkt, zullen we zingeving en zekerheid elders moeten zoeken. ‘Ik heb verhalen nodig om te leven’, schrijft Barnes ergens en dat geldt net zo goed voor zijn personages. Dat die verhalen bij benadering niet kloppen, geen soelaas bieden of onvolledig zijn, verleent de romans – naast Barnes’ stijl, eruditie en wittyness – hun wonderlijke zeggingskracht

Neem Tony Webster, de ietwat bedaagde pensionado uit Alsof het voorbij is. De meeste tijd ligt inmiddels achter hem en het leven heeft zijn geheimen wel zo’n beetje prijsgegeven. Wat rest is met enige weemoed omzien naar zijn jeugd, of beter: het verhaal dat hij zichzelf over zijn jeugd heeft verteld. Want al vrij snel wordt duidelijk dat zijn verhaal niet strookt met de werkelijkheid – het eigenlijke verhaal – en dat hij een hele andere rol heeft gespeeld dan hij zichzelf jarenlang heeft toegedicht. In de slotregels van de roman is er niets meer over van de bedaagde pensionado: ‘Er is accumulatie. Er is verantwoordelijkheid. En daarboven is er onrust. Is er grote onrust.’

Iets soortgelijks geldt voor Geoffrey Braithwaite, de gepensioneerde arts uit Barnes’ magnum opus Flauberts papagaai. Na de dood van zijn vrouw raakt hij gefascineerd door leven en werk van Gustave Flaubert. Hij leest Flaubert, schrijft over Flaubert, bezoekt geboortehuis en kerkhof – op zeker moment ademt hij zo’n beetje Flaubert. Waartoe? Waarom? Briljant schrijver natuurlijk, die Flaubert, maar deze lezer begon zich op zeker moment wel af te vragen wat voor boek hij eigenlijk aan het lezen was. Een biografie van Flaubert? Het verslag van een obsessie? En dan gooit Barnes het een hoofdstuk lang ineens over een compleet andere boeg en valt alles op zijn plaats. Niet in een dampend cresendo of een geruststellende ontknoping maar op een manier die de conclusies van Tony Webster in herinnering brengt. De vragen zijn beantwoordt maar de verkregen antwoorden dienen bij benadering maar één doel: het oproepen van nieuwe vragen. Onrust dus, grote onrust.

Aankomende week verschijnt Elizabeth Finch, Barnes nieuwe roman. Op 6 april ligt de vertaling in de winkel, het Engelse origineel volgt een weekje later en ligt vanaf 14 april in onze English Bookstore.

Comments are closed.