Sommige boeken schreeuwen om een verfilming maar zouden nooit verfilmd mogen worden.
Tot ziens daarboven van Pierre Lemaitre is zo’n boek. Nadat het in 2013 verscheen en de Prix Goncourt won, werden kort daarop de onvermijdelijke filmrechten verkocht. Geen wonder. De roman bevat zo’n beetje alle ingrediënten voor een spannende film: stuwende plot, krankzinnige wendingen, groteske finale en – bepaald niet onbelangrijk – een keur aan kleurrijke personages. (Twee woedende schlemielen, een klassieke schurk, een bankier met gewetenswroeging en een onuitstaanbare, smoezelige ambtenaar met een groot rechtvaardigheidsgevoel.) Bedenk dat het verhaal zich afspeelt tegen het decor van die verschrikkelijke maar uiterst filmvriendelijke eerste wereldoorlog, dat Lemaitre zich baseerde op true stories en je vraagt je plotseling af waarom we vier jaar op die hele film moesten wachten. Wie het boek inmiddels gelezen heeft, vraagt zich vooral af waarom die film er überhaupt moest komen.

Het verhaal is simpel. Albert en Édouard komen berooid en gehavend uit de eerste wereldoorlog. In het eerste (epische) hoofdstuk red de flamboyante Édouard het leven van slome dromer Albert. Tijdens die reddingsactie raakt Édouards gezicht gruwelijk verminkt – ‘de granaatscherf heeft zijn hele onderkaak weggeslagen, er gaapt een leegte onder zijn neus, dat is zijn keel (…)’ – en omdat hij er niets voor voelt om als ‘man zonder gezicht’ zijn oude leven op te pakken, neemt hij de naam en identiteit van een dode soldaat aan. Albert ontfermt zich over Édouard; vanuit een goedkope zolderkamer zien ze toe hoe Frankrijk zijn doden eert maar zijn veteranen vergeet. Dat vraagt natuurlijk om een plan, een groots en smerig plan. De inzet: stinkend rijk worden. De bijvangst: het schijnheilige Frankrijk een lesje leren.

Tot ziens daarboven ontleent zijn kracht aan de eindeloze hoeveelheid filmische scenes. Loopgraven, achterbuurten, zolderkamers en treinwagons; in een paar zinnen roept Lemaitre een landschap of een interieur tot leven. Hetzelfde geldt voor zijn personages. Een sprekend detail, een specifieke karaktertrek – voor je het weet lopen ze op eigen kracht over je netvlies. Over de rechtvaardige ambtenaar:
‘Het was een tamelijk oude man met een heel klein hoofd en een lang lichaam dat er net zo leeg uitzag als het karkas van een kippetje na de maaltijd (…) Een vormeloze grijze broek en dan ook nog eens een paar kolossale, buitensporig grote klompschoenen, bijna Bijbelse schuiten.’

Die mooie sfeertekeningen kunnen overigens niet verhullen dat het boek een paar keer uit de bocht vliegt. Niet iedere wending is even geloofwaardig; de breed uitgemeten climax is bijvoorbeeld net iets te mooi om waar te zijn. Maar maakt dat uit? Doet het ertoe? Ik geloof van niet. Sterker nog: ik merkte dat die momenten me nauwelijks stoorden. Ik bleef bereid om Lemaitre te volgen, ook als hij een wat onwaarschijnlijke afslag nam. Misschien helpt het dat een roman binnen de verbeelding van de lezer vorm krijgt; ik kan me onmogelijk voorstellen dat een film met dergelijke wendingen was weggekomen.
Wat hoe dan ook helpt is de toon van het boek, de stem van de verteller die betrokken én ironisch is. Neem de openingszin: ‘De mensen die dachten dat de oorlog snel voorbij zou zijn, waren intussen al lang dood.’ Geweldig, onverfilmbaar zinnetje. Lezen dus, dit boek. Naast alle genoegens van de good read – spanning, vaart, een verhaal met een kop en een staart – bevat het scenes en personages die een lezersleven lang meegaan. Zelden was een film zo overbodig.

Levi Olthof

Comments are closed.